Criteria herindeling




Toetsing van herindelingsvoorstellen

Het kabinet beoordeelt elk herindelingsvoorstel als uniek geval, rekening houdend met lokale en regionale omstandigheden, ontwikkelingen en context. In ieder geval wordt getoetst aan de volgende 5 criteria:

  1. Draagvlak
  2. Interne samenhang/dorps- en kernenbeleid
  3. Bestuurskracht
  4. Evenwichtige regionale verhoudingen
  5. Duurzaamheid
  1. Draagvlak

    Draagvlak voor een herindeling is belangrijk. Het streven moet zijn gericht op herindelingen die op een zo groot mogelijk draagvlak kunnen rekenen. Het kabinet juicht voorstellen toe die op de steun van alle betrokken gemeenten en (een meerderheid van) hun inwoners kunnen rekenen. Maar dit betekent niet dat unanimiteit bij gemeentebesturen (of inwoners) voor het kabinet vereist is om een herindelingsadvies over te nemen. Het kabinet zal de mate van draagvlak volgens dezelfde maatstaven beoordelen als in de voorgaande kaders: lokaal bestuurlijk, maatschappelijk en regionaal. Het kabinet vraagt gemeenten en provincies daarom bij een herindeling de omliggende of anderszins betrokken gemeenten te vragen een zienswijze in te dienen. Indien gemeenten besluiten een negatieve zienswijze van een omliggende gemeente niet over te nemen, vraagt het kabinet om een onderbouwing waarom hiervoor gekozen is.

  2. Interne samenhang/dorps- en kernenbeleid

    Het is van betekenis dat de nieuwe gemeente een interne samenhang kent, die identiteit geeft aan de nieuwe bestuurlijke eenheid zonder het belang van dorpen en kernen te miskennen. De aard van interne samenhang van de nieuw te vormen gemeente kan verschillende uitingsvormen hebben: cultureel, sociaal, economisch, geografisch, enzovoort. Van de betrokken gemeentebesturen mag een gemeenschappelijke visie worden gevraagd op welke wijze de nieuw te vormen gemeente burgers, maatschappelijke organisaties en gemeenschappen zal betrekken bij de vormgeving en (indien gewenst) bij de uitvoering van beleid.

  3. Bestuurskracht

    In essentie kan worden gesteld dat gemeenten bestuurskrachtig zijn als zij in staat zijn hun maatschappelijke opgaven op te pakken en wettelijke taken adequaat te vervullen waarbij recht wordt gedaan aan en in het belang van hun maatschappelijke omgeving wordt gehandeld. Gedacht kan worden aan:

    • besluitvorming, uitvoering en verantwoording van beleid;
    • de ambtelijke organisatie;
    • regionale maatschappelijke opgaven en taken;
    • regierol naar partners en medeoverheden;
    • financieel perspectief van de gemeente.
  4. Evenwichtige regionale verhoudingen

    Het kabinet vraagt gemeenten in het herindelingsadvies aan te geven:

    • hoe hun gemeente zich verhoudt tot de andere gemeenten in de regio;
    • welk effect hun schaal heeft op de regionale verhoudingen en de positie van de gemeente;
    • hoe de schaal zich verhoudt tot het regionale opgavenprofiel;
    • wat de positie van een eventuele regio-/centrumgemeente is.
  5. Duurzaamheid

    De nieuwe gemeente hoort duurzaam in staat te zijn de gemeentelijke taken (zelfstandig) uit te voeren. Voorkomen moet worden dat de nieuwe gemeente binnen afzienbare termijn wederom bij een herindeling wordt betrokken. Het kabinet geeft aan dat het voorstelbaar is dat in urgente situaties de noodzaak voor het versterken van de gemeentelijke bestuurskracht sterker is dan het aspect duurzaamheid.