Toespraak Jaap Smit

Gepubliceerd op 4 mei 2020



Toespraak van Jaap Smit, commissaris van de Koning in Zuid-Holland, bij de provinciale dodenherdenking, Den Haag, 4 mei 2020.

Dames en heren,

Het is 4 mei 2020.

Vandaag nemen wij, net als in vorige jaren, met elkaar tijd voor de dodenherdenking.

Dat doen wij nationaal, provinciaal en in alle gemeentes.

Normaal gesproken is 4 mei de dag waarop wij bij elkaar komen, om samen te zijn en samen te herdenken.

Dat zijn altijd en overal indrukwekkende ontmoetingen.

Vandaag gaat het anders.

Samenzijn en elkaar ontmoeten in groter verband, het kan nu niet.

We hebben te maken met een pandemie die ons noopt tot afstand houden, thuiswerken en veel handen wassen.

Ik spreek tot u vanuit de Statenzaal van de provincie Zuid-Holland, via een beeldverbinding.

Er zijn hier maar enkele mensen bijeen en we houden ons aan de richtlijnen om deze uitzending mogelijk te maken en om deze herdenking waardig te kunnen afsluiten met de kranslegging.

Ieder van ons kent inmiddels het Latijnse woord voor krans: corona.

In heel korte tijd is corona ook de naam geworden van een ziekte.

Het is een virus dat ons in de greep heeft en dat het openbare leven in Zuid-Holland, in Nederland en eigenlijk overal ter wereld stil heeft gelegd.

En dat zeer veel mensen treft, te vaak met fatale afloop.

Een uitbraak op deze schaal hebben wij, de generaties die de Spaanse griep alleen uit de geschiedenisboeken kennen, nooit eerder meegemaakt.

Juist nu we ons hadden verheugd op de viering van 75 jaar vrijheid, voelen wij aan den lijve hoe het is een deel van onze vrijheid in te leveren.

Dat doen we met goede reden, maar het is ongekend.

Sommige ouderen, die de Tweede Wereldoorlog nog hebben meegemaakt, zullen misschien terug denken aan die tijd.

Toen was het een zichtbare vijand die ons de vrijheid ontnam, nu is het een onzichtbare bedreiging die ons inperkt.

Op dit moment beseffen wij hoe waardevol en kostbaar die vrijheid is.

En ook hoe belangrijk het is stil te staan bij die tijd waarin velen het leven verloren en onze vrijheid bevochten werd.

Vandaag herdenken wij in het hele land, in iedere gemeenschap, de Nederlandse oorlogsslachtoffers: allen - burgers en militairen - die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en daarna in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.

Misschien kent u het aantal Nederlanders dat in de Tweede Wereldoorlog is omgekomen, maar ik noem het vandaag nogmaals, omdat het zo indrukwekkend is: 250.000.

Ook onder de mensen die werkten voor de provincie Zuid-Holland zijn in de jaren 40-45 slachtoffers gevallen.

Hun namen staan op de steen die in de hal van gebouw C is ingemetseld.

Daar kunnen we, vanwege de verbouwing, vandaag en ook de komende jaren geen ceremonie houden.

Gelukkig hebben we ook nog een ander monument: het wandtapijt dat al voordat ons huidige provinciehuis werd gebouwd, als herinnering is gemaakt.

Ons oudste monument dus.

Met daarop uiteraard dezelfde namen.

Wij leggen de kransen bij dit monument.

De Zuid-Hollandse slachtoffers die wij vandaag herdenken zijn omgekomen in een wrede oorlog.

De één kwam om door ziekte na ontbering in een concentratiekamp, een ander werd omgebracht in een gaskamer, weer een ander stierf door een bombardement en ook kwam iemand om het leven voor het vuurpeloton.

Zij zijn omgekomen onder omstandigheden die met geen enkele tijd zijn te vergelijken.

In een maatschappij, waarin mensen lijnrecht tegenover elkaar stonden.

En waarin mensen andere mensen het meest verschrikkelijke leed toebrachten.

In de moeilijke situatie, waarin wij ons momenteel bevinden, wordt wel eens de analogie met de oorlog gezocht.

Daar moet je erg voorzichtig mee zijn.

Nu worden we geacht anderhalve meter afstand te houden, toen was het de avondklok die sloeg en klonk regelmatig op  snerpende toon de vraag: ‘Ausweis bitte!’

Nu kan iemand worden weggestuurd uit een park of van het strand - misschien met boete -, destijds was er de voortdurende dreiging van razzia’s.

En, waarschijnlijk het grootste verschil: een virus maakt geen onderscheid tussen mensen, mannen, vrouwen, afkomst, voorkeur, overtuiging.

Ja, onze vrijheid is momenteel beperkt, maar we mogen nog steeds zeggen wat wij willen en zijn wie wij zijn.

Hoe dat in de jaren van de Tweede Wereldoorlog ging, is bekend.

Zeker zijn er ook parallellen te trekken.

De oorlogstijd was een onzekere periode vol dreiging en dat gevoel ervaren we nu ook.

Daarom verlangen we naar het einde van de coronacrisis, zoals vele Nederlanders de vijf lange jaren tussen 1940 en 1945 naar het moment van de herwonnen vrijheid snakten.

De provincie Zuid-Holland heeft dezer dagen een boek gepresenteerd, waarin 45 van onze provinciegenoten hun verlangen naar en beleving van de bevrijding hebben beschreven.

In die verhalen - die zich nu 75 jaar geleden afspeelden - komt naar voren hoeveel geduld de Zuid-Hollanders moesten hebben, hoe creatief ze waren en over hoeveel doorzettingsvermogen ze beschikten.

En ook hierin zie ik een parallel met de tijd van nu, waarin prachtige initiatieven om elkaar te helpen worden genomen.

Waarin mensen niet bij de pakken neer gaan zitten, maar in actie komen, in de zorg en het onderwijs en bij de vitale diensten, maar ook in allerlei andere verbanden en bij bedrijven.

En dat alles om anderen te helpen en om de maatschappij draaiend te houden.

Ook al moeten we juist afstand bewaren, we zijn als samenleving dichter bij elkaar gekomen.

Ik heb het eerder gezegd: dit is niet de tijd om het elkaar onnodig lastig te maken en zout op slakken te leggen.

Het is even niet de tijd om verschillen uit te vergroten en elkaar te bestrijden en te bekritiseren.

Het is de tijd om gezamenlijk deze crisis te bezweren.

Wat ik zie, is de wil er samen doorheen te komen.

En dat is waarschijnlijk de sterkste parallel met de bezettingstijd en de jaren daarna.

We gaan, net als na de Tweede Wereldoorlog, samen maatschappij en economie weer opbouwen.

In de oorlog brachten velen in ons land en onze provincie zware offers; velen zelfs het allerzwaarste.

Vandaag leggen wij kransen ter ere van de mensen die destijds in dienst van of werkend voor de provincie Zuid-Holland zijn omgekomen.

Wij zijn twee minuten stil, ieder op de plek waar die zich bevindt.

En dan mag het volkslied klinken, als teken van onze onderlinge verbondenheid.

Ik wens u en de uwen alle goeds toe.

Met vandaag een moment van bezinning en herdenken.

Met morgen, op 5 mei, een ingetogen viering van de bevrijding.

En met hopelijk zo snel mogelijk weer de kans om onze vrijheid in volle omvang te genieten en te koesteren.

Dank voor uw aandacht, nu volgt de kransleggingsceremonie.