Toespraak dodenherdenking 4 mei 2016




Commissaris van de Koning Jaap Smit heeft tijdens de Dodenherdenking in het Provinciehuis het verhaal verteld van het voormalig Statenlid Louis de Visser. Hij werd in 1941 door de Duitse bezetter gearresteerd en gevangen gezet vanwege zijn politieke overtuiging. De Visser heeft de bevrijding (net) niet mogen halen.

Eind juni 1941 wordt een lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland gearresteerd.
Zijn naam is Louis de Visser.
U wilt vast weten wat hij op zijn kerfstok heeft?
Waarom wordt hij opgepakt?
Louis de Visser is een overtuigd communist: dat is de reden voor zijn aanhouding.
Vandaag, op deze vierde mei, vertel ik u zijn verhaal.

Al in 1940 verbiedt de Duitse bezetter de Communistische Partij Nederland.
De CPN gaat vanaf dat moment ondergronds.
De algemeen bekende kopstukken van de partij blijven, om veiligheidsredenen, bewust buiten de illegaliteit.
Zo ook Louis de Visser, die op dat moment lid van de Tweede Kamer, lid van de gemeenteraad van Den Haag en lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland is.
Een man van principes, een welbespraakt debater, een felle politicus.

Louis Leonardus Hendrikus de Visser ziet het levenslicht op 21 mei 1878.
Vier maanden later overlijdt zijn vader.
Als jongen van een jaar of tien staat Louis voor de opgave een bijdrage aan het gezinsinkomen te gaan leveren.
De schoolbanken zal hij daarna nooit meer zien; wel doet hij jarenlang ijverig aan zelfstudie.
De Visser heeft allerlei baantjes, zoals scheepsmaatje in de haringvisserij en broodbezorger bij de Haagse coöperatie De Volharding.
Ook is hij glazenwasser; zijn loopbaan in de arbeidersbeweging begint in die branche.
Hij zet zich in voor verschillende Haagse organisaties voor arbeiders, leidt menige staking en vervult de voorzittersrol in de landelijke glazenwassersbond.

Louis de Visser is eerst lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij - voorloper van de PvdA - en later van de Sociaal-Democratische Partij, die in 1918 Communistische Partij Holland gaat heten en vanaf 1935 verder gaat onder de naam Communistische Partij van Nederland.
Vanaf 1919 vertegenwoordigt hij zijn partij in zowel de Haagse raad als de Staten van Zuid-Holland.
Zes jaar later, in 1925, volgt het Kamerlidmaatschap en wordt De Visser bovendien leider van de partij.

Gedurende zijn politieke loopbaan kiest Louis de Visser onvoorwaardelijk voor de arbeidende klasse, waar hij zelf zijn wortels heeft liggen.
Openbaar onderwijs, sociale wetgeving, rechten voor de werkers, dat zijn De Vissers speerpunten.
Voor de ambtenaren van de provincie Zuid-Holland wil hij invoering van de achturige werkdag, om maar een voorbeeld dichtbij te noemen.
 
De CPN is in de vooroorlogse jaren de enige partij die openlijk pleit voor de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië, door Louis de Visser ook in die periode al consequent Indonesië genoemd.
Wat verder opvalt in zijn parlementaire optreden en daarbuiten is zijn felle toon richting nazi-Duitsland.
In de taal van de gestaalde communistische kaders spreekt hij: “Het fascisme – het afschuwelijkste kapitalistische regiem tot verslaving en onderdrukking der werkende volksmassa’s – is de vergiftigde plant die groeit in het moeras van de maatschappelijke ondergang waarvan de sociaal-economische crisis in het huidige imperialistische tijdperk de scherpe uitdrukking is.”

Reeds in 1935, als velen nog niet in de gaten hebben wat er in Hitler-Duitsland gebeurt, wijst De Visser op de stelselmatige onderdrukking en toenemende vervolging van de joden.
“Fascisme zet de klok der beschaving terug”, zegt hij in een toespraak, waarin hij rooms-katholieken, protestanten, socialisten en communisten oproept samen weerstand te bieden tegen een dreigende ramp.
“Fascisme leidt tot oorlog”, zegt hij in datzelfde jaar, 1935.

Zes jaar later wordt Louis de Visser opgepakt, een paar dagen na de start van operatie Barbarossa, de Duitse inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941.
In het geheim is zijn arrestatie, net als die van andere communisten, al enige tijd in voorbereiding.
De Visser krijgt een waarschuwing en wordt dringend verzocht onder te duiken.
Hij aarzelt en is nog bezig met het pakken van zijn koffer om aan het onderduikverzoek te voldoen als de bezettende macht hem zijn vrijheid ontneemt.
Er is geen ontsnappen meer aan; hij wordt direct overgebracht naar Kamp Schoorl.

In Schoorl blijft Louis de Visser ongeveer 2 maanden.
Het regime is er relatief mild, gevangenen mogen pakketjes en brieven ontvangen en het eten is zelfs heel behoorlijk.
Daarvoor is een hotelkok uit Schoorl verantwoordelijk.
De Visser is zo tevreden over zijn kookkunst dat hij hem, op humoristische wijze, een belofte doet voor later: “Wij zullen u straks Minister van Voedselvoorziening maken.”

De Visser stuurt vanuit Kamp Schoorl enkele briefkaarten naar huis, helemaal volgeschreven in een priegelig handschrift, om maar zoveel mogelijk te kunnen zeggen.
De briefkaarten zijn ogenschijnlijk optimistisch van toon; censuur lijkt niet aan de orde.
Zo schrijft hij, niet zonder ironie: “Het gaat mij en allen die hier zijn naar omstandigheden zeer goed. Als het jullie ook zoo gaat dan is er geen vuiltje aan de lucht. We zijn allen met elkaar zeer opgewekt en de verzorging is buiten onze verwachting. Ik zelf heb zelden zoo’n opgeruimde vacantie doorgemaakt.”

Hij schrijft over gezellige avonden, een sterke onderlinge band tussen de gevangenen en zijn eigen goede humeur.
De prachtige natuur in de omgeving van Kamp Schoorl geeft hij de kwalificatie ‘heerlijk oord’, maar niet zonder de toevoeging: “Jammer daarvan door prikkeldraad gescheiden te zijn...”
In zijn briefkaarten probeert De Visser zijn familie en vrienden gerust te stellen, maar ook het groeiende verlangen naar huis manifesteert zich steeds meer..
Hij tekent op: “Natuurlijk denk ik veel aan thuis, fam. en vrienden, en zoo nu en dan zou ik wel eens om een hoekje willen kijken om te weten hoe ze het allen maken.”

De vierde en laatste briefkaart uit Schoorl stuurt De Visser eind augustus 1941.
Kort daarna wordt hij overgeplaatst.
Kamp Schoorl wordt ingeruild voor Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort.
Dan wordt het menens voor gevangene De Visser, aangeduid als nummer 232.
Hij stuurt geen briefkaarten meer, maar brieven, geschreven op voorgedrukt papier.
De priegelletters van de briefkaarten zijn ingewisseld voor een groot en duidelijk leesbaar handschrift.
De Visser verzoekt ook de familie ‘met flinke goed leesbare letters’ te schrijven.
De reden daarvoor is dat alles wat heen en weer gaat, wordt gecensureerd.

Gevangenen in Amersfoort mogen eens per maand een brief sturen en ook brieven ontvangen, maar geen pakketten.
Van Louis de Visser zijn brieven van september, oktober en november 1941 bewaard gebleven.
Steeds laat hij het thuisfront weten dat het hem goed gaat, maar details die dat vertoog ondersteunen, laat hij, in tegenstelling tot bij zijn berichten uit Schoorl, achterwege.
Waarschijnlijk, omdat hij in de praktijk van alledag daarvan geen voorbeelden kan vinden.
Kamp Amersfoort is, ook in september 1941 al, een zogenoemd hongerkamp, waar gevangenen slecht worden behandeld.
De Visser schrijft: “Ik verlang intens weer in de familiekring te verkeeren. Als men zoo lang van elkaar is dan gevoeld men pas wat je voor elkaar beteekent (...) weet dat ik fit en gezond ben, opgeruimd van geest en werk verricht dat mij best bevalt. De tijd gaat snel voorbij naar het moment van het weerziens. Dag allemaal.”

In december 1941 wordt Louis de Visser opnieuw overgeplaatst.
Dit keer naar Konzentrationslager Hamburg-Neuengamme.
Daar wordt hij ondergebracht in Block 9 en krijgt hij nummer 6893.
In Neuengamme is het moment van weerziens, waar De Visser zo naar verlangt, heel ver weg.
Het kamp is gericht op vernietiging door arbeid.
Mishandeling is schering en inslag.
Relatief gezonde mannen worden er in enkele maanden uitgemergeld tijdens extreem lange werkdagen, met heel weinig eten.
Medische voorzieningen staan op een zeer laag peil.

Twee brieven van Louis de Visser uit Neuengamme zijn bewaard gebleven, verstuurd in maart en april 1942.
De brieven zijn geschreven in het Duits en uiteraard voorzien van een paraaf van de censor.
Het briefpapier is door het kamp verstrekt en biedt ruimte voor tekst op vier kantjes.
Louis de Visser laat, zeker in vergelijking met de briefkaarten uit Schoorl, heel veel ruimte onbenut.
Eigenlijk heeft hij niets, en zeker niets positiefs, te melden.
De brief van april eindigt met de verzuchting:  “(…) Was möcht ik gerne mal um die Ecke gucken, um zu sehen wie es euch geht. (…)”
Nadat hij deze brief verstuurd heeft, verblijft Louis de Visser nog ruim drie jaar in Neuengamme.

Tussen de 50.000 en 60.000 gevangenen van Neuengamme komen om, ruim de helft van alle mannen die er tijdens de Tweede Wereldoorlog worden opgesloten.
Ze bezwijken tijdens het zware werk of aan de meest verschrikkelijke ziektes.
Louis de Visser, die dan al een stuk in de zestig is, wordt eind 1944 ernstig ziek.
Vijf maanden lang is het maar de vraag of hij het zal halen.
De Visser is echter sterk of hij heeft geluk of allebei.
Hoe dan ook: in het voorjaar van 1945 is hij, ondanks de zware omstandigheden, toch weer opgeknapt.
De bevrijdingsmaand mei nadert.

Dames en heren,
Straks nodig ik u allen uit met mij naar de gedenksteen te gaan, hier in de hal van het Provinciehuis van Zuid-Holland.
Daar zullen wij een krans leggen bij het monument, dat bij de bouw van dit Provinciehuis, dat werd geopend in 1964, is aangebracht.
Op de gedenksteen staan de namen van gedeputeerden, Statenleden en ambtenaren van de provincie Zuid-Holland.
Allen gevallen in de Tweede Wereldoorlog.
Aan de andere kant van de muur, waaraan de steen is vastgemaakt, in het trappenhuis naast de Weidezaal, hangt een wandkleed met dezelfde namen.
U hebt er misschien wel eens even bij stil gestaan?
Dat wandtapijt dateert van 1950 en is feitelijk ons eerste provinciale monument, destijds onthuld en tentoongesteld in het Provinciehuis aan de Korte Voorhout.

Ik noem de namen van de gevallenen, eerst de ambtenaren in dienst van de provincie Zuid-Holland:

  • H. Alter
  • L.P.A. Bendik
  • A. van Dijk
  • C.J. Engels
  • B.C.J.H. Faber
  • H.A. Remeijn.

Dan de gedeputeerden:

  • C.G. Roos
  • T.J. Verschuur

En ten slotte, de Statenleden:

  • A. Menist
  • L.L.H. de Visser

Louis de Visser haalt, ondanks ziekte, ellende en ontbering, de meimaand van 1945.
In de eerste dagen van die maand ontruimen de Duitsers, die de geallieerde legers steeds dichter zien naderen, zo snel als ze kunnen de concentratiekampen.
Ook de gevangenen van Neuengamme moeten op transport, sommigen naar opvangkampen, anderen worden aan boord van schepen gebracht.

Louis de Visser hoort bij de groep van ongeveer 9.000 gevangenen die worden samengeperst op drie schepen die in de Bocht van Lübeck liggen.
Hij bevindt zich op 3 mei 1945 op de Cap Arcona, een voormalig cruiseschip waarvan later is aangetoond dat de Duitsers er, behalve gevangenen, ook springladingen aan boord hebben gebracht.
U kunt wel raden met welk doel.
Het is trouwens hetzelfde schip waar de vader van Sonny Boy - u kent wellicht het boek van Annejet van der Zijl - wordt opgesloten.

Dan slaat het noodlot toe.
De Britten denken dat de Cap Arcona Duitse troepen vervoert en bombarderen het schip dat snel in de brand gaat en daarna zinkt.
Een ramp voltrekt zich.
In totaal komen op de schepen in de Bocht van Lübeck op 3 mei 1945 7.000 gevangenen om.
Onder wie Louis de Visser; hij is bijna 67 jaar geworden.

Dames en heren,
Dit is de dag van herdenken.
We herdenken Louis de Visser en de andere provinciale slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.
En tegelijkertijd herdenken wij alle gevallenen.
Op 4 mei herdenken wij in het hele land, in iedere gemeenschap, de Nederlandse oorlogsslachtoffers: allen - burgers en militairen - die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en daarna in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.
We zijn zo meteen ook twee minuten stil.
Twee minuten zonder geluid om te denken aan al die slachtoffers van geweld en oorlog.
Vandaag heb ik het verhaal mogen vertellen van voormalig Statenlid Louis de Visser, over zijn overtuiging, zijn gevangenschap en zijn tragische dood.
Er zijn veel van dit soort geschiedenissen.
Laten wij vooral niet stoppen met het aan elkaar vertellen van deze verhalen.
Juist in tijden, waarin spanningen weer oplopen, is het cruciaal dat wij elkaar eraan herinneren hoe belangrijk vrijheid is en welke offers velen daarvoor hebben gebracht.
Ik nodig u uit met mij naar de kransleggingsceremonie te gaan.

(aansluitend werden 3 kransen bij de provinciale gedenksteen gelegd namens het bestuur, het personeel en oud-medewerkers)