Toespraak Jaap Smit, jaarvergadering van de VZHG




Mevrouw de kersverse voorzitter, mevrouw de burgemeester, dames en heren,

Als eerste spreker na de jaarvergadering van de Vereniging van Zuid-Hollandse Gemeenten, heb ik de primeur. Ik mag de nieuwe voorzitter van uw vereniging, mevrouw Mirjam Salet, van harte feliciteren met haar weliswaar niet onverwachte, maar zeker eervolle benoeming.

De VZHG krijgt wederom een zeer ervaren burgemeester als voorzitter.
Naar de samenwerking met mevrouw Salet kijken wij als Gedeputeerde Staten vanzelfsprekend bijzonder uit. Ik maak van deze gelegenheid graag gebruik om de voorganger van Mirjam Salet, Frank Koen, van harte te bedanken voor zijn inzet voor de vereniging en de samenwerking met de provincie.
Ik heb goede herinneringen aan de contacten die wij hebben gehad. Frank, nogmaals dank en mag ik vragen om een applaus.

Mevrouw de voorzitter, dank voor de traditionele uitnodiging de start van het VZHG-congres te mogen verzorgen. Dit jaar is gekozen voor het thema: “Besturen met lef in het sociaal en maatschappelijk domein”. Ik kan u zeggen: dat thema spreekt mij zeer aan, want besturen is sturen en bijsturen. Ik vind: politiek is geen management. En dat lijkt het helaas te veel te zijn geworden.
Management is planning en control. Politiek is besturen vanuit visie, een stip op de horizon zetten en kijken hoe je de weg daarheen kunt vinden.
In deze tijd, waarin het perspectief steeds kleiner lijkt te worden, moeten we weer groot durven denken. Lef kun je daarbij goed gebruiken.
Daarom is het goed dat u daar met elkaar vandaag over in gesprek gaat.

U doet dat in Alphen aan den Rijn, de gemeente die nog jong is, maar zich meteen na de fusie, met lef, in de regio liet gelden. Vandaag gaat het in het bijzonder over lef in het sociaal en maatschappelijk domein en ook daarmee heeft Alphen aan den Rijn ervaring. U haalde daar zelfs de krant mee, met een kwestie die ook aan het Binnenhof aandacht trok. De gemeente weigerde begin 2015 een traplift te vergoeden aan een negentigjarige man.
Zijn aanvraag werd met argumenten afgewezen. Volgens de gemeente had de hoogbejaarde man kunnen zien aankomen dat het traplopen moeilijker zou worden en daarom in een eerder stadium naar een meer geschikte woning kunnen verhuizen.

Dit lokaal genomen besluit leidde tot landelijke ophef. Na Kamervragen ging staatssecretaris Martin van Rijn het gesprek met Alphen aan.
Volgens hem had de gemeente niet volgens de uitgangspunten van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning gehandeld. Misschien dat wij hier straks van de wethouders nog iets meer over horen. Hoe dan ook, deze ‘case’ heeft in ieder geval met lef te maken: van de staatssecretaris en ook van de gemeente.
En het laat ook direct zien hoe delicaat en gecompliceerd decentralisatie in het sociaal en maatschappelijk domein is. Bij die decentralisaties, dames en heren, hinken wij namelijk op 2 gedachten. Aan de ene kant geven we gemeenten de bevoegdheid over de zorg en de arbeidsmarkt en aan de andere kant hebben we te maken met het solidariteitsprincipe dat in ons land diepgeworteld is: moet iedereen niet dezelfde zorg krijgen?

Decentralisatie is echter per definitie differentiatie en dus maatwerk.
Daarbij is lef, politieke moed, nodig. Er moeten keuzes gemaakt worden die niet iedereen je in dank afneemt, maar die wel noodzakelijk zijn, ook al doen ze op individueel niveau misschien pijn. Tegelijkertijd moet er wel een ondergrens in de zorg en de voorzieningen zijn, want te veel afbreuk in het sociaal en maatschappelijk domein kan het vertrouwen in de politiek ondermijnen. Er moet ruimte voor verschil zijn, maar wel met een bodem.
Zonder bodem is er sprake van amorele, of misschien wel immorele politiek.

Daar zijn wij allemaal natuurlijk niet op uit. Wat mij bij de vraag brengt waar we nu staan na bijna anderhalf jaar decentralisaties. Zie ik in het sociaal en maatschappelijk domein al lef? Eerlijk gezegd, zie ik dat niet in ruime mate.
Wat ik soms wel waarneem is creativiteit. Maar, wat we in het eerste jaar vooral hebben gezien is dat gemeenten, die een enorme klus werk erbij hebben gekregen, het hoofd boven water proberen te houden en grip op de zaak proberen te krijgen. Het managen van de opgave. Ik snap dat, want het is ook niet niks: contracten sluiten met zorgaanbieders, het nieuwe beleid uitleggen aan de inwoners en zorgen voor voldoende gekwalificeerd personeel.

Inmiddels hebben de gemeenten dat aardig in de vingers. Misschien heeft het grip krijgen op de zaak tot gevolg gehad dat driekwart van de gemeenten vorig jaar geld overhield op het WMO-budget, zoals Binnenlands Bestuur vorige week berichtte. Zo’n artikel leidt uiteraard tot discussie. Zijn gemeenten te ver doorgeslagen in het versoberen van voorzieningen of is er ruimte om verder te bezuinigen? Volgens mij is er iets fundamentelers aan de hand. In het sociaal domein komt het lokaal bestuur in een andere fase terecht.
Eerst was er de periode van transitie, waarin gemeenten nieuwe verantwoordelijkheden kregen en met minder geld grip op de zaak moesten krijgen. Nu komen we in de tijd van de transformatie van het sociale domein.
Het boekhouden is wel afgerond; nu komt het besturen en daarbij is er lef gevraagd. Hoe gaan gemeenten dat doen? In de komende tijd moet duidelijk worden welke keuzes gemeenten maken. Hoe krijgen de nieuwe verhoudingen tussen de overheid en het maatschappelijk initiatief vorm? En wat dat betekent voor hun inwoners? Die transformatie brengt onzekerheid met zich mee; zeker is dat verschillen zullen ontstaan. Mijn vader en moeder zullen in hun gemeente misschien wel een traplift krijgen en mijn schoonvader in een andere gemeente niet. De kans is groot dat er een zielig geval van ongelijkheid breeduit in de landelijke media zal worden uitgemeten. En dat er, net als in 2015, ook in de Tweede Kamer weer vragen worden gesteld. Ook zullen burgers niet schromen een rechterlijk oordeel te vragen.

Alleen als gemeenten hun visie op wat ze onder goede zorg verstaan in beleid hebben vastgelegd, hoeven zij niet te vrezen voor deze publiciteit, discussies en procedures. Als je kunt uitleggen vanuit welk toekomstbeeld je beleid wijzigt en uitvoert, heb je een sterk verhaal. Doen gemeenten dit niet, dan is de kans groot dat de staatssecretaris mee gaat besturen of dat de rechter het verzoek van de burger honoreert.

Een grote opgave voor gemeenten in deze transformatiefase is het maken en onderhouden van een visie op het besturen in het sociaal en maatschappelijk domein. Uiteraard gevoed uit en door de samenleving en uiteindelijk gedragen door de democratie. Alleen vanuit die visie kunnen gemeenten het gevraagde maatwerk leveren. Om tot een breed gedragen en goed uitvoerbare visie te komen, is kennis van zaken nodig, politieke en maatschappelijke wil en zeker ook: lef.

Ik wens u allen een bijzonder goed congres en veel lef toe.