Vanuit alle 16 deelgebieden is eind 2025 een gezamenlijk gebiedsplan opgeleverd met projecten die bijdragen aan de doelen op het gebied van natuur, water, stikstof en klimaat.
Net als de Rijksoverheid, waterschappen en gemeenten, heeft de provincie een verantwoordelijkheid om te zorgen voor een proces waarin effecten kunnen worden gemeten en gemonitord. Zodat duidelijk is hoe projecten bijdragen aan het doel.
Om meer te kunnen sturen op gewenste effecten, maakt de provincie gebruik van de Modulaire Herziening Landbouw en de geplande integrale herziening van het Omgevingsbeleid in 2028. Op beide stappen zal, zoals gebruikelijk, te zijner tijd voor belanghebbenden inspraakmogelijkheid zijn en/of de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze.
Het is niet mogelijk om een inschatting te maken in hoeverre de gebiedsplannen bijdragen aan de gestelde doelen op het gebied van water, klimaat en natuur, zoals het tegengaan van bodemdaling, zoetwater beschikbaarheid of het verbeteren van de waterkwaliteit.
De gebiedsplannen verschillen in ambitie- en uitwerkingsniveau. In het ene gebied zijn vooral pilots opgestart, zoals rond zoetwaterbeschikbaarheid in de Delta. Terwijl het andere gebied al concreet aan de slag is met projecten. Zoals de aanleg van waterinfiltratiesystemen in veenweiden of de inzet van een watercoach in het Westland. Daarnaast is er soms nog meer aantoonbare samenhang nodig tussen de belangrijkste opgaven in een gebied en aangevraagde projecten of maatregelen.
De analyse van de gebiedsplannen laat zien dat de gebiedsplannen een belangrijke stap in de goede richting zijn voor het realiseren van de doelen voor een vitaal landelijk gebied. Concreet zien we dat er intensieve samenwerkingen zijn opgestart en er veel specifieke kennis is opgehaald in de gebieden, zoals rond bodemgesteldheid en landschappelijke historie.
Bij het ontwikkelen van de plannen voor het landelijk gebied en straks ook bij de uitvoering daarvan zijn veel verschillende partijen betrokken. Naast de provincie zijn dat in ieder geval alle gemeenten en waterschappen in Zuid-Holland. Daarnaast werken bijvoorbeeld vertegenwoordigers vanuit de land- en tuinbouw mee, eigenaren en beheerders van natuurgebieden en natuur- en milieuorganisaties. Ook hebben we regelmatig contact met het Rijk; in het bijzonder met de ministeries voor LNV, IenW en BZK en met Rijkswaterstaat. Waar mogelijk benutten we ook kansen om de recreatieve functie van gebieden te versterken en die stemmen we dan af met vertegenwoordigers vanuit de recreatiesector.
Het ZH-PLG is de uitwerking voor Zuid-Holland van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Het NPLG omvat doelen voor natuur en stikstof, water en klimaat. De wettelijke doelen volgen uit (inter-)nationale verplichtingen als de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn).
De VHR bepaalt dat Nederland op termijn een landelijk gunstige staat van instandhouding moet realiseren voor de door de VHR beschermde dier- en plantensoorten en leefgebieden. In Nederland is deze verplichting vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb).
Volgens de KRW moet ons land in 2027 maatregelen genomen hebben om te zorgen voor een goede kwaliteit van aangewezen zoals kanalen, beken en meren. De Wsn heeft als uiteindelijk doel dat de belasting met stikstof in 2035 in 74% van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarden (KDW) is gebracht. En de beoogde reducties van broeikasgassen in de klimaatopgave moeten in 2050 gerealiseerd zijn, met tussenstap in 2030.
Binnen het ZH-PLG in de huidige vorm kijken we vooruit tot 2035. Als er voor de uitvoering van het ZH-PLG aanpassingen in het ruimtegebruik nodig zijn, krijgen die een plek in het Omgevingsbeleid.
Het hoofddoel van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied is om te zorgen voor gezonde lucht, water en bodem in het hele landelijk gebied van onze provincie. Als dat helemaal of gedeeltelijk niet lukt, dan lijden de natuur en het watersysteem daar in de eerste plaats onder.
Maar er zijn ook grote gevolgen te verwachten voor onze economie. Want het watersysteem en de bodem vormen de randvoorwaarden voor een toekomstbestendige landbouw, voor de industrie en de transportsector en voor de kwaliteit van onze woonomgeving. Als we de doelen niet halen kan het voorkomen dat er te weinig sproeiwater is voor de landbouw, dat gewassen minder goed bestoven worden of dat schadelijke insecten juist toenemen, dat dijken verdrogen en daardoor zwakker worden et cetera.
Tenslotte zijn er ook gevolgen denkbaar op het gebied van vergunningverlening. Want als de kwaliteit van natuurgebieden onvoldoende is, dan is er ook geen ruimte om nieuwe economische activiteiten of bedrijfsuitbreiding toe te staan.
Het plan dat in juni 2023 is ingediend bij het Rijk loopt tot en met 2035. Sommige doelen moeten al op korte termijn gehaald worden. Zo moeten de doelen voor waterkwaliteit (op basis van de Europese Kaderrichtlijn Water) al in 2027 gehaald worden. De eerste mijlpaal voor stikstof ligt in 2025; dan moet in 40% van de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden de hoeveelheid stikstof voldoende gedaald zijn. De volledige doelstelling (in 74% van de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden de norm voor stikstof gehaald) heeft als datum 2035. De doelen op basis van het Klimaatakkoord hebben 2050 als uiterste datum meegekregen, met 2030 als moment voor de tussendoelstelling.
Het ZH-PLG is een van de provinciale programma’s waarin we een aantal opgaven in samenhang oppakken. In dit geval gaat het om de opgaven op het gebied van natuur, water, bodem, landbouw en klimaat in het landelijk gebied. In die zin is het ZH-PLG inderdaad vergelijkbaar met de aanpak in de NOVEX-gebieden (investeringsgebieden vanuit het Omgevingsbeleid; in Zuid-Holland de zuidelijke Randstad, de Rotterdamse haven en het Groene Hart) en het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur, Energie en Klimaat (pMIEK). Het proces rond de uitwerking van het Ruimtelijk Voorstel legt daarbij nog de link met het stedelijk gebied. We stemmen de planning van alle programma's op elkaar af en zorgen dat keuzes en investeringen elkaar versterken. De keuzes die in de verschillende programma’s gemaakt worden krijgen uiteindelijk een (formele) plek in het Omgevingsbeleid. Ook stemmen we af met het ministerie van LNV met name op het beleid rond het Groene Hart.
De opgaven in het landelijk gebied zijn urgent. Waar mogelijk willen de partners van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied dan ook meteen aan de slag. Het Maatregelenpakket ZH-PLG biedt daarvoor de ruimte. Dit pakket is opgebouwd uit concrete projecten van gebiedspartners die op korte termijn kunnen worden uitgevoerd en die bijdragen aan de doelen van het ZH-PLG.
Goed dat je nadenkt over de toekomst van je bedrijf en over hoe je kunt bijdragen aan de doelen voor natuur, water en klimaat in het landelijk gebied. We denken graag met je mee.
- Voor agrarisch ondernemers hebben we het Landbouwloket waar veel informatie te vinden is over doelen, beschikbare technieken en subsidieregelingen. Ook is in het Landbouwloket informatie te vinden voor ondernemers die psychische of mentale hulp zoeken als gevolg van de onzekerheid die de landbouwtransitie met zich meebrengt.
- Ook vanuit de Europese samenwerkingsprogramma’s waaraan de provincie deelneemt zijn er regelmatig subsidiemogelijkheden: pagina EU-subsidieprogramma’s
- Voor andere ondernemers is op pagina Energie/subsidies en investeringen een overzicht van beschikbare regelingen bijeen gebracht
- Niet gevonden wat je zocht? Neem dan contact met ons op via [email protected], dan zoeken we samen naar een passende aanpak
Heb je een vraag, idee of reactie? Laat het ons weten via [email protected].
Voor een selectie van projecten die dit jaar nog kunnen starten, wordt bij de Voorjaarsnota geld vrijgemaakt uit de € 40 miljoen die is gereserveerd bij de Investeringsagenda. Hieruit gaat het om een bedrag tussen de € 5 en € 10 miljoen voor nieuwe projecten. Daarmee zorgt de provincie voor voortgang en voor het vasthouden van de energie in de gebiedsprocessen.
De integrale afweging (afwegingskader) aan welke projectvoorstellen beschikbare middelen kunnen worden toegekend, volgt in het najaar met de begroting van 2027. Voor financiering kijken we ook naar de Rrijksoverheid. In het Coalitieakkoord is € 20 miljard gereserveerd voor landbouw, natuur en stikstofaanpak.
We blijven met de Rijksoverheid in gesprek over wanneer en hoe zij deze plannen uitwerken.
De plannen leveren tezamen 182 nieuwe en waardevolle projectvoorstellen op. Die optellen tot een vraag van € 427 miljoen. Daarvan wordt € 367 miljoen aan de provincie gevraagd en wordt € 60 miljoen voorzien met cofinanciering.
Vanuit alle 16 deelgebieden is eind 2025 een gezamenlijk gebiedsplan opgeleverd met projecten die bijdragen aan de doelen op het gebied van natuur, water, stikstof en klimaat.
Veel gebieden hebben het voornemen om hun plannen en projectvoorstellen te blijven doorontwikkelen. Door geld beschikbaar te stellen voor procesbegeleiding, kunnen deelgebieden kleinere uitwerkingsstappen of aanvullend onderzoek oppakken.
- In juli 2026 bespreekt Gedeputeerde Staten hoe de provincie verder wil gaan met de gebiedsprocessen landelijk gebied.
- In de periode tot juli voeren we met gebiedspartners het gesprek over het vervolg. Die input gebruiken we voor het opstellen van de vervolgaanpak.
- Voor 18 juli 2026 stuurt Gedeputeerde Staten een Statenvoorstel naar Provinciale Staten over de vervolgaanpak van de gebiedsprocessen landelijk gebied.
- Na 30 augustus 2026 wordt het Statenvoorstel besproken in de Commissie Landelijk Gebied en daarna in Provinciale Staten. In de tussentijd volgen we nauwgezet de ontwikkelingen bij de Rijksoverheid, zoals bijvoorbeeld de ‘Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof’ en spreken we met de Rijksoverheid over wat er nodig is.