De zorgvuldige landing van de Regionale Energiestrategie



Zuid-Holland ziet een fikse opgave op zich af komen in het kader van het Klimaatakkoord. De Regionale Energiestrategieën leiden tot grote veranderingen in het landschap. In november 2020 is het advies Regionale energiestrategieën en het Groene Hart uitgebracht, een coproductie van de PARK’s van Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland. Dat advies evalueert de samenhang en ruimtelijke kwaliteit in de RES 1.0. Daarbij stelden we als PARK’s vast dat bij de verdere uitwerking van de RES-sen wezenlijk meer aandacht nodig is om plannen met kwaliteit te realiseren.

Om dat aan te moedigen zal ik als PARK voor de Zuid-Hollandse RES-sen het aspect ruimtelijke kwaliteit beter in beeld brengen. Zo mogelijk doe ik dat samen met mijn collega-PARK’s en de Rijksadviseur voor heel Nederland. Daarmee zoek ik ook naar wegen om deze grote opgave publiek bespreekbaar te maken. Het is de bedoeling van het RES-proces om dit meer ‘van onder op’ te organiseren, dus is het des te belangrijker dat er ook een publiek debat over is, mede met het inzicht in waar deze opgave nu concreet, bijvoorbeeld met meer dan 200 meter hoge windturbines van de nieuwste generatie, toe kan leiden.

In het huidige coalitieakkoord spreekt Zuid-Holland zich ferm uit tegen ‘wind op land’, met name in het Groene Hart. De provincie heeft zich in de RES-regio’s tot nog toe als partner opgesteld, en geen sturende rol op zich genomen gericht op samenhang en kwaliteit. Die terughoudendheid is gezien de politieke context begrijpelijk, maar ik zie hier een steviger rol voor de provincie weggelegd; de provincie moet positie kiezen, staan voor samenhang en aandacht voor landschap eisen. Ook het strategische vraagstuk moet op de agenda komen. Hoe zorgen we dat Zuid-Holland met energiebesparing, zon en wind, en warmtebronnen zoals restwarmte of aquathermie naar rato bijdraagt aan het Klimaatakkoord? Ik wil onderzoeken hoe dat in samenhang met de hoofdstructuur van het energienetwerk, waar ook het Rijk in haar Programma Energiehoofdstructuur zorgen over heeft, en de hoofdlijnen van ruimtelijke ordening tot een aanvaardbaar landschap in een toch al overvol deel van Nederland leidt.

Op gebiedsniveau stapelen in Zuid-Holland de opgaven zich op. In sommige gebieden moet de stikstofopgave worden opgelost, en het vraagstuk van bodemdaling worden aangepakt. Dat vraagt om een nieuwe kijk op de landbouw in die gebieden. Tegelijk is een grote inhaalslag nodig op het vlak van biodiversiteit. De verdichtende stad zoekt buitenruimte. En dan moet er ook nog ruimte gevonden worden voor duurzame energie. Het Rijksbeleid dringt er via de Nationale Omgevingsvisie op aan om opgaves in samenhang te bezien, maar laat het initiatief bij de provincie.
Om te beginnen moeten we voorkomen dat de opgaves elkaar tegenwerken, maar veel beter zou het zijn als ze elkaar helpen om tot een nieuw landschap met kwaliteit te komen. Als PARK wil ik, zoals ook aangekondigd in het Groene Hart-advies, een uitwerking voor minstens één gebied laten maken waar die stapeling van opgaven voluit speelt.

Met het onderzoeksproject Landschap van de Energiebesparing wil ik debat oproepen hoe Zuid-Holland er uit ziet als we wel aangenaam leven, maar veel minder energie verbruiken dan we nu doen. In de omwenteling naar duurzame energie wordt weliswaar energiebesparing van groot belang geacht, maar krijgt dat toch niet echt gestalte op landschapsniveau. Daar waar concrete plannen op tafel komen voor windturbines en zonnepaneelopstellingen is de weerstand vaak groot: dit willen we niet hier. Maar de omvang van de energie-opgave heeft alles te maken met een wijze van leven die we willen voortzetten. Het Landschap van de Energiebesparing is dus wellicht een feitelijk landschap, maar ook een verkenning die ons een spiegel moet voorhouden.

De Regionale Energiestrategieën omvatten nu vooral zoekgebieden, maar laten nog onbenoemd hoe duurzame energie concreet zal landen in landschap. Ook al heeft dat in het beleid niet de eerste voorkeur, opstellingen in het landelijk gebied zullen er komen, en in niet geringe mate. Op typologisch niveau is wel nagedacht over de ruimtelijke aspecten van dit soort opstellingen, maar de concrete toepassing in landschap moet nog veel verder verkend worden. In samenwerking met andere PARK’s wordt een verkenning van de inpassing in verschillende landschapstypen en in verschillende functiecombinaties gestart. Daarbij gaat het om de combinatie van landschapsontwerper, projectontwikkelaar en grondeigenaren, zodat er best practice ter beschikking komt.